ECLI:NL:CRVB:2016:294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen UWV in 1997
Appellant verzocht om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van het UWV in 1997, nadat het UWV een bedrag van €4.073,45 had teruggevorderd wegens te veel ontvangen WW-uitkering. Appellant was strafrechtelijk vervolgd maar vrijgesproken. Diverse bezwaar- en beroepsprocedures liepen, waarbij eerdere besluiten onherroepelijk werden verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens verjaring en gebrek aan onderbouwing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het besluit van 18 mei 2004 rechtmatig was en dat geen sprake was van onrechtmatig handelen door het UWV. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank.
De Raad overwoog dat het hoger beroep geen nieuwe gronden bevatte en dat het verzoek om schadevergoeding niet slaagde. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door H.G. Rottier, in aanwezigheid van griffier L.L. van den IJssel, op 20 januari 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van het UWV wordt niet toegewezen.