Uitspraak
mr. K.F. Hofstee.
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn studiefinanciering waarbij hij vanaf januari 2012 als thuiswonend werd aangemerkt en het te veel betaalde bedrag werd teruggevorderd. De minister baseerde dit op het feit dat appellant niet op het opgegeven adres stond ingeschreven en het controlerapport van 19 november 2013.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het rapport onzorgvuldig was, onder meer door onjuiste waarnemingen over zijn persoonlijke spullen en studiemateriaal, en dat een verklaring van een buurvrouw niet was meegewogen. Hij stelde dat hij wel degelijk op het adres woonde, ondanks het ontbreken van een huissleutel.
De Raad oordeelde dat de bezwaren van appellant vooral een herhaling waren van eerdere stellingen en onvoldoende nieuwe feiten bevatten. Het rapport bood een voldoende feitelijke grondslag voor de herziening. De Raad vond het ongeloofwaardig dat appellant al twee jaar op het adres zou verblijven zonder huissleutel en zonder eigen slaapkamer of persoonlijke spullen. Ook de verklaring van de buurvrouw woog onvoldoende om het rapport te weerleggen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van de studiefinanciering bevestigd.