Uitspraak
2 maart 2015, 14/3244 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die sinds 27 februari 2009 haar werkzaamheden had gestaakt wegens lichamelijke klachten, kreeg vanaf 2011 een WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage variërend van 35% tot 80%. Na een melding van verslechtering van haar gezondheid stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid in 2014 ongewijzigd vast op 45-55%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische beoordeling juist was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij als gevolg van sarcoïdose ook dunnevezelneuropathie had ontwikkeld, een aandoening die volgens haar niet goed was onderkend door de verzekeringsartsen, waardoor haar arbeidsmogelijkheden verder waren beperkt. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze diagnose niet was gesteld door de behandelend neurologen en dat appellante geen aanvullende gegevens had overgelegd om dit te onderbouwen.
De Raad vond het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) bleef ongewijzigd en de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante geschikt was voor bepaalde functies met een verlies aan verdienvermogen van 49,8%. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van appellante op 45-55%.