ECLI:NL:CRVB:2016:3018
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onterecht intrekken bijstand wegens onjuiste vaststelling gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde dat hij samen met zijn ex-partner een gezamenlijke huishouding voerde en trok daarom de bijstand terug. Een onderzoek met waarnemingen, dossieranalyse en waterverbruikgegevens leidde tot het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand.
De Raad beoordeelde of appellant en zijn ex-partner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, wat vereist is voor een gezamenlijke huishouding volgens de WWB. Hoewel zij samen kinderen hebben, bleek uit het onderzoek onvoldoende bewijs dat appellant zijn hoofdverblijf bij zijn ex-partner had.
Het waterverbruik was niet afwijkend, en de waarnemingen van de auto van appellant bij het adres van zijn ex-partner waren te beperkt in tijd en konden ook anders worden verklaard. Ook bankafschriften boden geen overtuigend bewijs.
De Raad vernietigde daarom het besluit tot intrekking van de bijstand en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en herroept het besluit. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd en herroepen wegens onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijke huishouding.