ECLI:NL:CRVB:2016:3069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Hillen
- A. Stehouwer
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onvoldoende concreet vermoeden fraude
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf 20 juli 2012. Het college van burgemeester en wethouders van Winsum voerde een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van deze bijstand, waarbij appellant werd uitgenodigd voor meerdere gesprekken en verzocht bankafschriften van zes maanden te overleggen. Appellant verscheen niet op de gesprekken en leverde de gevraagde stukken niet aan.
Het college besloot de bijstand op te schorten en later in te trekken op grond van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, stellende dat het vermoeden van fraude onvoldoende concreet was en dat het verzoek om bankafschriften over zes maanden niet gebruikelijk was.
De Raad oordeelde dat het college niet had toegelicht waarop het vermoeden van fraude was gebaseerd en dat daardoor niet kon worden vastgesteld of er sprake was van concrete feiten en omstandigheden die een verdergaand onderzoek rechtvaardigden. Het niet verschijnen van appellant op de uitnodigingen was onvoldoende om de inlichtingenverplichting als niet nagekomen te beschouwen. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere intrekkingsbesluit, en veroordeelde het college tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen bijstand en de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende concreet vermoeden van fraude en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.