ECLI:NL:CRVB:2016:3084
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als medewerker verkoop/vakkenvuller en meldde zich ziek wegens spier- en gewrichtsklachten. Na beëindiging van zijn dienstverband stelde het UWV vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. Appellant ontving een Ziektewetuitkering die het UWV op grond van een verzekeringsartsbeoordeling beëindigde.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant geschikt was voor ten minste één van de functies die bij de WIA-beoordeling waren vastgesteld. De medische rapporten, waaronder een verklaring van een neuroloog, boden onvoldoende aanleiding om meer beperkingen aan te nemen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten bevatte die tot een ander oordeel konden leiden. De Ziektewetuitkering is daarom terecht beëindigd per 16 oktober 2014. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor passende arbeid sinds de WIA-beoordeling.