ECLI:NL:CRVB:2016:3086
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het verlies van recht op Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant, werkzaam als algemeen medewerker bij een kermisbedrijf, meldde zich ziek wegens klachten aan rechterheup en rechterelleboog en ontving een Ziektewetuitkering vanaf 30 april 2014. Na een eerstejaars beoordeling concludeerde een verzekeringsarts dat appellant beperkingen heeft, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidskundig onderzoek stelde vast dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel voor vier andere functies waarmee hij meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen.
Het UWV besloot per 1 maart 2015 het recht op ZW-uitkering te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Overijssel oordeelde dat het besluit gebaseerd is op zorgvuldig medisch onderzoek en dat de FML juist is vastgesteld. De arbeidsdeskundige motiveerde voldoende dat appellant geschikt is voor de nieuwe functies, ondanks mogelijke overschrijding van belastbaarheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, omdat geen nieuwe gezichtspunten zijn aangevoerd. Het verzoek van appellant om een deskundige in te schakelen wordt niet gehonoreerd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op een Ziektewetuitkering per 1 maart 2015.