Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:310

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 januari 2016
Publicatiedatum
27 januari 2016
Zaaknummer
14-5997 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WWBArt. 54, derde lid WWBArt. 58, eerste lid WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet bewoning uitkeringsadres

Appellante ontving sinds 2006 bijstand en stond sinds 2011 ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij dit adres niet bewoonde, voerde de sociale recherche een uitgebreid onderzoek uit met dossieronderzoek, metingen van water- en energieverbruik en observaties.

Het onderzoek toonde een extreem laag waterverbruik, weinig elektriciteit en gasgebruik, en beperkte aanwezigheid van appellante op het adres. Het college trok daarop de bijstand met ingang van 1 januari 2013 in en vorderde de kosten van bijstand terug over een deel van die periode.

Appellante voerde aan door ziekte wel op het adres te hebben verbleven, maar de Raad oordeelde dat het lage verbruik en de waarnemingen dit niet aannemelijk maken. De Raad bevestigde dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde, en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd omdat appellante niet op het uitkeringsadres woonde.

Uitspraak

14/5997 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
22 september 2014, 14/896 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Deventer (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H. Tadema, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Tadema en I.R. Tjandrakesuma als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.M. Wijnberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 10 december 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante is in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans basisregistratie personen) sinds 5 september 2011 ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres).
1.2.
Naar aanleiding van een op 21 augustus 2013 ontvangen anonieme melding dat de woning op het uitkeringsadres al een jaar niet bewoond wordt en dat er alleen post wordt opgehaald, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, informatie opgevraagd bij Vitens en Enexis BV en heeft een sociaal rechercheur in de periode van 22 oktober 2013 tot en met 6 november 2013 in totaal twaalf keer in de ochtenduren aangebeld op het uitkeringsadres en de voordeur van die woning voorzien van een markering. Verder hebben sociaal rechercheurs in die periode op verschillende dagen in de middag- en avonduren waarnemingen verricht. Op 7 november 2013 heeft een gesprek met appellante plaatsgevonden. In aansluiting daarop heeft de sociale recherche een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres, waarbij de meterstanden voor water, elektra en gas zijn opgenomen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 november 2013.
1.3.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 25 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 maart 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2013 in te trekken. Voorts heeft het college de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2013 tot 1 oktober 2013 tot een bedrag van € 8.100,16 van appellante teruggevorderd. Het college heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek is gebleken dat appellante niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres en daardoor niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting met als gevolg dat niet kan worden vastgesteld of appellante gedurende de hiervoor genoemde periode recht had op bijstand.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellante het volgende aangevoerd. Zij heeft vanaf januari 2013 in verband met haar hulpbehoevendheid door ziekte weliswaar geregeld bij vrienden en familie verbleven, maar zij heeft in die periode wel hoofdzakelijk op het uitkeringsadres geslapen en daar wel degelijk gewoond. Het lage water- en energieverbruik wordt verklaard door het feit dat zij in die periode door haar ziekte een afwijkend drink- en voedingspatroon heeft gehad en zichzelf ook niet kon wassen. Haar situatie is in zoverre niet vergelijkbaar met die van een doorsnee alleenstaande.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2013, de datum met ingang waarvan het college de bijstand heeft ingetrokken, tot en met 25 november 2013, de datum van het intrekkings- en terugvorderingsbesluit.
4.2.
De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de belanghebbende recht op bijstand heeft.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante in de te beoordelen periode niet op het uitkeringsadres heeft gewoond en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of appellante gedurende die periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.
4.4.
Daarbij komt in de eerste plaats betekenis toe aan het uit het onderzoek van de sociale recherche gebleken waterverbruik op het uitkeringsadres. Uit de van Vitens BV verkregen informatie en de bij het huisbezoek opgenomen meterstanden is af te leiden dat het totale waterverbruik in de woning van appellante over de periode van 28 februari 2013 tot 7 november 2013 slechts 1 m³ bedroeg. Uitgaande van een gemiddeld waterverbruik volgens het Nibud van ongeveer 45 m³ per jaar voor een eenpersoonshuishouden, kan tot geen andere conclusie worden gekomen dan dat het waterverbruik op het uitkeringsadres in de periode in geding zo extreem laag is geweest dat reeds daarom niet aannemelijk is dat appellante haar hoofdverblijf in de desbetreffende woning heeft gehad. Deze conclusie wordt niet anders indien met appellante wordt aangenomen dat haar situatie niet vergelijkbaar is met die van een doorsnee alleenstaande.
4.5.
De in 4.3 vermelde conclusie vindt voorts steun in het geconstateerde zeer lage elektriciteits- en gasverbruik volgens de gegevens van Enexis BV en de bij het huisbezoek opgenomen meterstanden, alsmede in de door de sociale recherche in de periode van 22 oktober 2013 tot en met 6 november 2013 verrichte waarnemingen. Zo is appellante slechts bij één van de twaalf keer dat bij haar is aangebeld in de woning aangetroffen, is zij tijdens verschillende waarnemingen in de avonduren niet in de woning waargenomen (de woning was toen donker) en is de door de sociale recherche aangebrachte markering aan de voordeur in die periode slechts vier keer verdwenen.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het college ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2013 in te trekken. Daarmee is tevens gegeven dat het college ingevolge artikel 58, eerste lid, van de WWB gehouden was de kosten van de aan appellante over de periode van 1 januari 2013 tot
1 oktober 2013 ten onrechte verleende bijstand van haar terug te vorderen.
4.7.
Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en Y.J. Klik en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2016.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) J.L. Meijer

HD