ECLI:NL:CRVB:2016:3104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen bankrekening en middelen
Appellant ontving bijstand vanaf oktober 2011 en beschikte naast een bij het college bekende bankrekening ook over een verzwegen ABN AMRO-rekening waarop tussen oktober 2011 en augustus 2013 stortingen van in totaal €38.603,26 plaatsvonden. Het college trok de bijstand per 1 september 2013 in en vorderde de bijstandskosten over de periode daarvoor terug wegens schending van de inlichtingenplicht en het inkomen op de bankrekeningen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en oordeelde dat ondanks de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand kon worden vastgesteld op basis van bankafschriften. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. In hoger beroep betwistte appellant dat hij kon beschikken over het tegoed op de ABN AMRO-rekening en stelde dat het tegoed aan zijn zuster toebehoorde.
De Raad oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kon beschikken over de tegoeden. De verklaringen van de zuster en de overgelegde documenten waren onvoldoende concreet en verifieerbaar. Periodieke betalingen van familieleden worden als middelen aangemerkt. De systematiek van het college bij de berekening van de terugvordering is transparant en correct. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen bankrekening en verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond.