Uitspraak
27 maart 2015, 14/11105 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was in beroep gegaan tegen een besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarbij haar verzoek om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar moeder werd afgewezen. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard. Tijdens het hoger beroep diende appellante een nieuw verzoek in, waarop de minister op 10 december 2015 een besluit nam om het verzoek toe te wijzen met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2014.
Omdat appellante inmiddels het gewenste resultaat heeft bereikt, heeft zij geen procesbelang meer bij het voortzetten van het hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Een verzoek tot proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat het besluit van 10 december 2015 is genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag op gewijzigde gronden.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 augustus 2016. Appellante was niet verschenen bij de zitting, de minister werd vertegenwoordigd door een raadsman.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.