ECLI:NL:CRVB:2016:3108

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 augustus 2016
Publicatiedatum
18 augustus 2016
Zaaknummer
15/2946 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 Wet studiefinanciering 2000Art. 6 Besluit studiefinanciering 2000Art. 8 Besluit studiefinanciering 2000Art. 8:75a Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij aanvullende beurs

Appellante was in beroep gegaan tegen een besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarbij haar verzoek om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar moeder werd afgewezen. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard. Tijdens het hoger beroep diende appellante een nieuw verzoek in, waarop de minister op 10 december 2015 een besluit nam om het verzoek toe te wijzen met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2014.

Omdat appellante inmiddels het gewenste resultaat heeft bereikt, heeft zij geen procesbelang meer bij het voortzetten van het hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Een verzoek tot proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat het besluit van 10 december 2015 is genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag op gewijzigde gronden.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 augustus 2016. Appellante was niet verschenen bij de zitting, de minister werd vertegenwoordigd door een raadsman.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

15/2946 WSF
Datum uitspraak: 18 augustus 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
27 maart 2015, 14/11105 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Y. Tamer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De minister heeft op 10 december 2015 een nieuw besluit genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 28 oktober 2014 (bestreden besluit) waarbij de minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 11 augustus 2014 heeft gehandhaafd. Bij dat besluit is afgewezen het verzoek van appellante van 11 juli 2014 om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar moeder (verzoek om loskoppeling), op de grond dat geen sprake is van het ontzetten uit of het ontheffen van het ouderlijk gezag van de moeder als bedoeld in de artikelen 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000 en 6, eerste lid, aanhef en onder b, en 8 van het Besluit studiefinanciering 2000.
1.2.
Appellante is tegen de aangevallen uitspraak in hoger beroep gegaan.
2. Appellante heeft op 4 november 2015 een nieuw verzoek om loskoppeling bij de minister ingediend op de grond dat haar moeder onvindbaar is. Bij besluit van 10 december 2015 heeft de minister dit verzoek toegewezen met ingang van 1 oktober 2014. Vanaf deze datum wordt bij de berekening van de aanvullende beurs van appellante geen rekening gehouden met het inkomen van haar moeder.
3. Bij brief van 20 juni 2016 is namens appellante aan de Raad bericht dat de minister haar alsnog met terugwerkende kracht een aanvullende beurs heeft verleend en dat zij aanspraak maakt op een veroordeling van de minister in de kosten van rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep.
4.1.
De Raad begrijpt de in 3 bedoelde brief zo dat appellante van opvatting is dat zij geen procesbelang meer heeft omdat aan haar tegemoet is gekomen en dat zij verzoekt een proceskostenveroordeling uit te spreken.
4.2.
De Raad deelt de opvatting van appellante dat er geen sprake is van procesbelang. Appellante kan met deze procedure niet meer bereiken dan ze inmiddels heeft bereikt. Het hoger beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4.3.
Voor toekenning van een proceskostenveroordeling bestaat geen grond. Bij het besluit van 10 december 2015 heeft de minister weliswaar een aanvullende beurs verstrekt, maar is hij niet tegemoetgekomen aan appellante als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. Dit besluit is genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om loskoppeling op een gewijzigde grondslag.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) R.I. Troelstra

SS