De zaak betreft het hoger beroep tegen het besluit van het UWV van 14 mei 2013, waarin de WIA-uitkering van appellant werd beëindigd. De Centrale Raad van Beroep had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name vanwege het ontbreken van een deugdelijke medische grondslag voor de psychische klachten van appellant.
Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het UWV een nieuw rapport van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundig onderzoek overgelegd. Deze rapporten brachten de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in overeenstemming met de bevindingen van de psychiater en concludeerden dat appellant in staat is voorbeeldfuncties te vervullen met een arbeidsongeschiktheid van 8,2%.
De Raad oordeelt dat het UWV hiermee heeft voldaan aan de opdracht uit de tussenuitspraak en dat het besluit voldoende is gemotiveerd. Desondanks wordt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.