Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3115

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 augustus 2016
Publicatiedatum
19 augustus 2016
Zaaknummer
13/6599 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende motivering

De zaak betreft het hoger beroep tegen het besluit van het UWV van 14 mei 2013, waarin de WIA-uitkering van appellant werd beëindigd. De Centrale Raad van Beroep had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name vanwege het ontbreken van een deugdelijke medische grondslag voor de psychische klachten van appellant.

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het UWV een nieuw rapport van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundig onderzoek overgelegd. Deze rapporten brachten de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in overeenstemming met de bevindingen van de psychiater en concludeerden dat appellant in staat is voorbeeldfuncties te vervullen met een arbeidsongeschiktheid van 8,2%.

De Raad oordeelt dat het UWV hiermee heeft voldaan aan de opdracht uit de tussenuitspraak en dat het besluit voldoende is gemotiveerd. Desondanks wordt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten.

Uitspraak

13/6599 WIA
Datum uitspraak: 19 augustus 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
18 oktober 2013, 13/1357 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft op 23 december 2015 een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2015:4780.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv nadere stukken ingezonden, waaronder rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Appellant is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hij heeft de gestelde termijn ongebruikt laten verstrijken.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Vervolgens is met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor de van belang zijnde feiten wordt verwezen naar de tussenuitspraak.
2. In de tussenuitspraak is overwogen dat het besluit van 14 mei 2013 (bestreden besluit) onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke medische grondslag ten aanzien van de psychische klachten van appellant. Het Uwv is opdracht gegeven dit gebrek te herstellen. Daartoe dient het Uwv de per 3 januari 2013 geldende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in overeenstemming te brengen met de bevindingen en de conclusies van psychiater dr. L. Timmerman en op basis van de aangepaste FML een arbeidskundig onderzoek te laten plaatsvinden.
3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 januari 2016 ingezonden. Deze verzekeringsarts heeft de conclusies van psychiater Timmerman gevolgd en heeft appellant beperkt geacht in emotionele problemen van anderen hanteren, eigen gevoelens uiten en in omgaan met conflicten. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een FML van 13 januari 2016. Uitgaande van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 18 januari 2016 geconcludeerd dat appellant in staat is voorbeeldfuncties te vervullen. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 8,2%. Hiermee is naar de mening van het Uwv het in de genoemde tussenuitspraak door de Raad geconstateerde gebrek in het bestreden besluit hersteld en is dit besluit voldoende gemotiveerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Geoordeeld wordt dat het Uwv met de onder 3 vermelde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht.
4.2.
Het Uwv heeft de per 3 januari 2013 geldende FML in overeenstemming gebracht met de bevindingen en de conclusies van psychiater Timmerman. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 18 januari 2016 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat, uitgaande van de FML van 13 januari 2016, appellant op de datum in geding, 3 januari 2013, medisch gezien geschikt is geweest voor de functies productiemedewerker industrie, snackbereider en machinaal metaalbewerker en dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.
4.3.
Het Uwv heeft zijn standpunt dat appellant met ingang van 3 januari 2013 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering alsnog toereikend gemotiveerd.
5. Uit wat in de tussenuitspraak van 23 december 2015 en in deze uitspraak is overwogen, volgt dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, moeten worden vernietigd. In wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 wordt aanleiding gezien om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand kunnen blijven.
6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 496,- in bezwaar, op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep. De kosten verbonden aan het rapport van psychiater Timmerman worden begroot op € 738,10. De door het Uwv te vergoeden kosten zijn € 3.218,10 in totaal.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 mei 2013;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van
€3.218,10;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van €162,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2016.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) R.L. Rijnen

SS