ECLI:NL:CRVB:2016:312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit woningbemiddeling en kamerverhuur
Appellant ontving vanaf 20 december 2011 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een melding over een hennepplantage in een woning waar appellant als makelaar bij betrokken was, startte het college een onderzoek. Dit leidde tot het besluit van 17 oktober 2013 om de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 21 december 2011 in te trekken wegens verzwegen inkomsten uit woningbemiddeling en kamerverhuur.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij slechts een geringe commissie ontving en dat dit niet gemeld hoefde te worden. De Raad stelde vast dat appellant gedurende de periode 2 januari 2012 tot 9 juli 2013 ruim €134.000 aan inkomsten op zijn rekening ontving en dat hij zijn inlichtingenplicht had geschonden door dit niet te melden.
De Raad oordeelde dat door het ontbreken van inzicht in de financiële situatie het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellant had geen bewijs geleverd dat hij recht op bijstand zou hebben gehad als hij wel had gemeld. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten wordt bevestigd.