ECLI:NL:CRVB:2016:3147

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 augustus 2016
Publicatiedatum
23 augustus 2016
Zaaknummer
15/5500 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens voorzienbare kosten

Appellant, ontvanger van een IOAW-uitkering, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van laminaat, het opknappen van wanden, het aanbrengen van spachtelputz en het witten van het plafond. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af, waarna appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat dergelijke woninginrichtingskosten tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren en in principe uit het inkomen moeten worden bestreden.

De Raad overwoog dat de kosten voorzienbaar waren, aangezien de stankoverlast en schimmelvorming reeds lange tijd bestonden. Tevens was niet aannemelijk dat appellant niet had kunnen reserveren voor deze kosten. Het ontbreken van reserveringsruimte door schulden wordt volgens vaste rechtspraak niet als bijzondere omstandigheid gezien die bijzondere bijstand rechtvaardigt.

Appellant voerde in hoger beroep geen nieuwe gronden aan die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen. Daarom bevestigde de Raad de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, waarmee de afwijzing van de bijzondere bijstand definitief werd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand wegens voorzienbare kosten.

Uitspraak

15/5500 WWB
Datum uitspraak: 23 augustus 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2015, 14/8277 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is aan de orde gesteld op de zitting van 12 juli 2016, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 23 augustus 2013 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Op 27 juni 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van laminaat, het laten opknappen van de wanden, het laten aanbrengen van spachtelputz en het laten witten van het plafond in zijn woning.
1.2.
Bij besluit van 2 juli 2014 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 16 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen.
2.1.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1607) worden kosten van woninginrichting, waarvan in het onderhavige geval sprake is, gerekend tot de periodieke dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is bij appellant geen sprake.
2.2.
De kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd waren voorzienbaar. De stankoverlast die als gevolg van vocht onder de vloer is ontstaan en waardoor de vloer moet worden vervangen, bestond al minimaal een half jaar voor de aanvraag om bijzondere bijstand. De schimmelvorming die maakt dat werkzaamheden aan de wanden en aan het plafond moeten worden uitgevoerd, bestaat al jarenlang. Voorts is niet aannemelijk dat appellant niet voor de kosten heeft kunnen reserveren. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van
24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318) volgt dat het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting geen bijzondere omstandigheid is en dat de kosten die daarmee verband houden niet op de Wet werk en bijstand kunnen worden afgewenteld.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormen in essentie een herhaling van wat hij reeds in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen reden aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.
4.2.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2016.
(getekend) M. Hillen
(getekend) P.C. de Wit

HD