ECLI:NL:CRVB:2016:3147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens voorzienbare kosten
Appellant, ontvanger van een IOAW-uitkering, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van laminaat, het opknappen van wanden, het aanbrengen van spachtelputz en het witten van het plafond. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af, waarna appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat dergelijke woninginrichtingskosten tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren en in principe uit het inkomen moeten worden bestreden.
De Raad overwoog dat de kosten voorzienbaar waren, aangezien de stankoverlast en schimmelvorming reeds lange tijd bestonden. Tevens was niet aannemelijk dat appellant niet had kunnen reserveren voor deze kosten. Het ontbreken van reserveringsruimte door schulden wordt volgens vaste rechtspraak niet als bijzondere omstandigheid gezien die bijzondere bijstand rechtvaardigt.
Appellant voerde in hoger beroep geen nieuwe gronden aan die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen. Daarom bevestigde de Raad de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, waarmee de afwijzing van de bijzondere bijstand definitief werd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand wegens voorzienbare kosten.