ECLI:NL:CRVB:2016:3148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening beroepschrift
Appellante had beroep ingesteld tegen het besluit tot intrekking van haar IOAW-uitkering en terugvordering van een bedrag wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift op 28 januari 2014 werd ontvangen, een dag na het verstrijken van de beroepstermijn op 27 januari 2014.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het beroepschrift tijdig was ontvangen omdat het vóór openingstijd van de griffie op 28 januari was bezorgd, en dat het binnen de termijn was aangeboden aan een koeriersdienst, waardoor artikel 6:9 lid 2 Awb Pro van toepassing zou zijn. De Raad verwierp deze gronden omdat de beroepstermijn op 28 januari om 0:00 uur was verstreken en verzending per koeriersdienst niet valt onder de verzendtheorie zoals bedoeld in de Awb.
Verder stelde appellante dat de rechtbank de regels te rigide toepaste en een beroep op artikel 6:11 Awb Pro mogelijk was. De Raad oordeelde dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk maken dat appellante niet in verzuim was. Het hoger beroep faalt en de niet-ontvankelijkverklaring wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt bevestigd.