ECLI:NL:CRVB:2016:3155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks re-integratiewerkzaamheden
Appellante werd in januari 2014 op staande voet ontslagen en vroeg een WW-uitkering aan, die niet werd toegekend vanwege eigen schuld. Het dagelijks bestuur verleende bijstand vanaf 3 februari 2014 en stelde een arbeidsverplichting vast waarbij appellante twintig uur per week re-integratiewerkzaamheden verrichtte. Na herziening van het ontslag en betaling van achterstallig salaris en WW-uitkering, trok het dagelijks bestuur de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode 3 februari tot 31 mei 2014.
Appellante voerde aan dat de re-integratiewerkzaamheden een tegenprestatie vormden, waardoor terugvordering niet redelijk was. De Raad oordeelde dat de werkzaamheden in het kader van een wettelijke arbeidsinschakelingsvoorziening vielen en dat bijstand geen arbeidsbeloning is. De verplichting tot terugvordering was daarom terecht, ook al had appellante een positieve invloed op de omzet van het re-integratiebedrijf.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, oordeelde dat het dagelijks bestuur bevoegd was tot terugvordering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand ondanks verrichte re-integratiewerkzaamheden.