ECLI:NL:CRVB:2016:3203
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde autotransacties
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek van de sociale recherche bleek dat appellant tussen juli 2003 en juni 2011 meerdere voertuigen op zijn naam had staan, waarvan een deel vermoedelijk voor verkooptransacties werd gebruikt. Het college trok de bijstand over diverse maanden in en vorderde de kosten terug, omdat appellanten deze transacties niet hadden gemeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij geen inkomsten uit de transacties hadden genoten en dat de voertuigen weinig waarde hadden. De Raad volgde dit niet, omdat de transacties als op geld waardeerbare activiteiten worden beschouwd die invloed kunnen hebben op het recht op bijstand. Het ontbreken van controleerbare gegevens over inkomsten maakte vaststelling van het recht op bijstand onmogelijk.
De Raad verwierp ook het betoog dat de opbrengsten aan de broer van appellant zouden zijn gegaan, vanwege tegenstrijdigheden en gebrek aan bewijs. De gestelde geringe waarde van de voertuigen deed niet af aan de rechtmatigheid van de intrekking. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand wegens niet gemelde autotransacties en verklaart het hoger beroep ongegrond.