ECLI:NL:CRVB:2016:3205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning IOAW-uitkering na onterechte afwijzing door college Terneuzen
Appellanten hadden een aanvraag ingediend voor een IOAW-uitkering nadat hun WW-uitkeringen waren beëindigd. Het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen wees de aanvraag af omdat appellanten niet aannemelijk zouden hebben gemaakt hoe zij in hun levensonderhoud hadden voorzien voorafgaand aan de aanvraag.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellanten gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad oordeelde dat het college ten onrechte had aangenomen dat appellanten niet hadden aangetoond hoe zij in hun levensonderhoud voorzagen.
De Raad stelde vast dat de terugbetalingen van de zoon niet als inkomen worden aangemerkt en dat er geen aanwijzingen waren voor andere inkomsten. Appellanten voldeden daarmee aan de voorwaarden voor een IOAW-uitkering vanaf 12 juli 2013. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college en kende de uitkering toe met terugwerkende kracht.
Daarnaast werd het betaalde griffierecht van €168,- aan appellanten vergoed. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat geen kosten voor vergoeding waren aangetoond.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en appellanten krijgen met ingang van 12 juli 2013 een IOAW-uitkering toegekend.