Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3207

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 augustus 2016
Publicatiedatum
30 augustus 2016
Zaaknummer
15/6762 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens reserveringsmogelijkheid

Appellant, die sinds 2006 bijstand ontving, huurde vanaf juli 2014 zelfstandige woonruimte en vroeg bijzondere bijstand aan voor woninginrichtingskosten van €653,55. Het college trok zijn bijstand in wegens onvoldoende verstrekte inlichtingen en wees de bijzondere bijstand af omdat de kosten tot de algemeen noodzakelijke kosten behoren en appellant deze had kunnen reserveren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep met het argument dat hij door de intrekking van de bijstand geen inkomsten had en daardoor niet kon reserveren. De Raad oordeelde dat verhuiskosten tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten behoren die uit eigen inkomen betaald moeten worden, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.

Appellant maakte niet aannemelijk dat hij niet kon reserveren; de tijdelijke intrekking van de bijstand was later ingetrokken en had geen invloed op zijn reserveringsmogelijkheden. Daarom faalde het hoger beroep en werd de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt bevestigd omdat appellant had kunnen reserveren.

Uitspraak

15/6762 WWB
Datum uitspraak: 30 augustus 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2015, 15/709 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E. Braak.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 9 februari 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Appellant was inwonend bij zijn broer. Met ingang van 11 juli 2014 huurt appellant zelfstandige woonruimte op het adres [adres] . Op 24 juli 2014 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor inrichtingskosten tot een bedrag van € 653,55.
1.2.
Bij besluit van 30 juli 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van
8 juli 2014 ingetrokken op de grond dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt als gevolg waarvan het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.
1.3.
Bij besluit van 17 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 januari 2015 (bestreden besluit), heeft het college de onder 1.1 vermelde aanvraag afgewezen. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor woninginrichting behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten moeten worden betaald uit het inkomen door te sparen dan wel een lening af te sluiten. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij - samengevat - aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat bij besluit van 30 juli 2014 zijn recht op bijstand met ingang van 8 juli 2014 was ingetrokken en hij als gevolg daarvan geruime tijd geen inkomsten heeft gehad. In die periode was hij dan ook niet in staat te reserveren voor de betreffende kosten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De kosten van een verhuizing en inrichting van een woning worden tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.2.
Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en dat deze in de situatie van appellant noodzakelijk zijn. Partijen zijn verdeeld over de vraag of bij appellant sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten.
4.3.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is geweest te reserveren voor de onderhavige kosten. De omstandigheid dat het college bij besluit van 30 juli 2014 de bijstand heeft ingetrokken per 8 juli 2014 doet er niet aan af dat appellant tot aan de datum waarop hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd, te weten 24 juli 2014, heeft kunnen reserveren voor deze kosten. Bovendien heeft het college het intrekkingsbesluit van 30 juli 2014 naderhand ingetrokken. Van het ontbreken van reserveringsruimte als gevolg van de intrekking van bijstand is dan ook geen sprake.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2016.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) A.M.C. de Vries

HD