ECLI:NL:CRVB:2016:3218

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 augustus 2016
Publicatiedatum
30 augustus 2016
Zaaknummer
16/4978 PW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijzondere bijstand eigen bijdrage zorghotel

Verzoeker ontvangt sinds 1996 bijstand en vroeg bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van verblijfskosten in een zorghotel. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen wees dit verzoek af, omdat er een passende en toereikende voorliggende voorziening was. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond. Verzoeker stelde in hoger beroep een voorlopige voorziening te willen treffen om alsnog bijzondere bijstand te verkrijgen.

De voorzieningenrechter overwoog dat een verzoek om voorlopige voorziening een actueel spoedeisend belang vereist. Hoewel verzoeker stelde dat hij een lening had afgesloten om de eigen bijdrage te betalen en daardoor niet in zijn levensonderhoud kon voorzien, werd dit niet met stukken onderbouwd. De kosten waren bovendien al betaald, waardoor geen spoedeisend belang bestond.

Daarom voldeed het verzoek niet aan de voorwaarden van artikel 8:81 Awb Pro en werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan actueel spoedeisend belang.

Uitspraak

16/4978 PW-VV
Datum uitspraak: 25 augustus 2016
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. A.A. Namaki, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juli 2016, 15/4139 (aangevallen uitspraak).
Tevens heeft mr. Namaki namens verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan en desgevraagd de Raad op 2 augustus 2016 nader geïnformeerd over het actuele spoedeisende (financiële) belang met betrekking tot dit verzoek.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Verzoeker ontvangt sinds 8 maart 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Het college heeft bij besluit van 14 april 2015 de aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten van de eigen bijdrage voor de verblijfskosten in een zorghotel tot een bedrag van
€ 700,- afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 26 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2015 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de door verzoeker gevraagde kosten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker alsnog bijzondere bijstand wordt toegekend voor de eigen bijdrage.
4.1.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
De voorzieningenrechter wijst allereerst op vaste rechtspraak (uitspraak van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764), waaruit volgt dat de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.
4.3.
De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang. De kosten waarvoor verzoeker bijzondere bijstand heeft gevraagd, zijn inmiddels betaald. Verzoeker heeft ter onderbouwing van het door hem gestelde spoedeisende belang gewezen op het feit dat hij geld heeft geleend om de eigen bijdrage te betalen. Verzoeker moet dit geld terugbetalen, waardoor hij niet in de kosten van zijn levensonderhoud voor deze maand kan voorzien. Dat verzoeker, zoals hij heeft gesteld, een lening heeft afgesloten, heeft hij niet met stukken onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat aan deze lening een aflossingsverplichting is verbonden op grond waarvan hij in een financiële noodsituatie terecht is gekomen. De enkele stelling dat hij deze maand niet in zijn levensonderhoud kan voorzien omdat hij de gestelde lening moet afbetalen, is onvoldoende om een spoedeisend actueel (financieel) belang aan te nemen dat noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 8:81 van Pro de Awb gestelde voorwaarden, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is. Het verzoek wordt daarom met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van
R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
25 augustus 2016.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) R.B.E. van Nimwegen

HD