Appellant, voormalig timmerman, ontving na zijn dienstverband een WW-uitkering en later een ZW-uitkering wegens psychische klachten. Het UWV stelde vast dat hij vanaf 31 mei 2012 geen recht meer had op een WIA-uitkering omdat hij geschikt was voor functies die meer dan 65% van zijn oude loon opleverden. Na een nieuwe ziekmelding in januari 2013 en een beoordeling door een verzekeringsarts, besloot het UWV op 20 december 2013 de ZW-uitkering te beëindigen per 23 december 2013.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens een onjuiste maatstaf arbeid, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het UWV dit in beroep had hersteld. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het hoger beroep en concludeerde dat de maatstaf arbeid correct was toegepast, namelijk de combinatie van functies geselecteerd bij de WIA-beoordeling en het werk als taxichauffeur.
De Raad vond geen aanwijzingen dat het UWV de belastbaarheid van appellant onjuist had ingeschat. De medische rapporten van verzekeringsartsen waren zorgvuldig en hielden rekening met de psychische klachten en zwakbegaafdheid van appellant. Nieuwe medische stukken en verzoeken tot benoeming van een onafhankelijke psychiater gaven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de eerdere beoordelingen.
Daarom werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarmee het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering stand hield.