Appellant vroeg op 4 april 2013 een Wajong-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit van 13 juni 2013 vast dat appellant ten minste 75% van het minimumloon kan verdienen en wees de uitkering af. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd op 18 november 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep bestreed appellant de medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit. Het UWV nam op 19 november 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar en kende met ingang van 1 augustus 2013 alsnog een Wajong-uitkering toe. Appellant gaf aan dat deze beslissing volledig tegemoet kwam aan zijn beroep en verzocht om vergoeding van proceskosten en wettelijke rente.
De Raad oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onterecht was geweigerd en vernietigde het besluit van 18 november 2013 en de aangevallen uitspraak. Tevens werd het besluit van 13 juni 2013 herroepen. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep. Vergoeding van kosten in bezwaar werd afgewezen omdat het verzoek daartoe niet tijdig was gedaan.
De uitspraak werd gedaan door M.M. van der Kade namens de Centrale Raad van Beroep op 26 augustus 2016.