ECLI:NL:CRVB:2016:3284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet meewerken aan huisbezoek
Appellante diende op 2 september 2014 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij zij verklaarde inwonend te zijn bij haar moeder. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam startte een onderzoek vanwege eerdere beëindiging van bijstand wegens verzwegen inkomsten. Tijdens een huisbezoek op 10 oktober 2014 weigerde appellante toegang te geven tot een slaapkamer, wat het college aanleiding gaf de aanvraag af te wijzen wegens niet-naleving van de medewerkingsverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat appellante onvoldoende medewerking had verleend door niet alle kamers te tonen, waardoor het college onvoldoende gegevens had om de bijstandbehoefte vast te stellen. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot verdaging wegens ziekte van haar gemachtigde niet had ingewilligd.
De Raad oordeelde dat het verzoek tot verdaging te laat was ingediend en dat geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden. De inhoudelijke gronden van appellante werden onderschreven door de rechtbank en de Raad, waarbij werd benadrukt dat het op appellante rustte om aan te tonen dat zij geen werkzaamheden meer verrichtte. Door het weigeren van toegang tot de slaapkamer had zij het college niet de mogelijkheid gegeven dit te verifiëren, waardoor zij haar medewerkingsverplichting schond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens niet-naleving van de medewerkingsverplichting.