Uitspraak
4 augustus 2015, 15/52 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant verhuisde van een kamer in een pension naar een zelfstandige woning en vroeg bijzondere bijstand aan voor de inrichtingskosten. Het college wees dit af omdat de kosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden en appellant had kunnen reserveren gezien zijn WW-uitkering en de voorspelbaarheid van de verhuizing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. Hij voerde aan dat gezondheidsproblemen en schulden hem belemmerden in het reserveren voor de kosten en dat zijn omstandigheden waren verslechterd.
De Raad oordeelde dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die een plotselinge verhuizing noodzakelijk maakten. De gezondheidsproblemen bestonden al ruim een jaar en de verhuizing was voorzienbaar. Schulden vormen volgens vaste rechtspraak geen bijzondere omstandigheid die bijzondere bijstand rechtvaardigt.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt bevestigd wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.