Uitspraak
31 juli 2015, 15/1056 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2009 bijstand als alleenstaande en woonde op een vastgesteld uitkeringsadres. Na een melding in juli 2014 dat een ander op dat adres woonde, verrichtte de gemeente onderzoek waaruit bleek dat de woning op 25 juni 2014 was ontruimd.
Het college trok de bijstand met ingang van 25 juni 2014 in en vorderde de kosten over die periode terug. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wisselend verbleef bij vrienden en dat het recht op bijstand daardoor vastgesteld kon worden. De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat hij niet meer op het uitkeringsadres woonde.
De verklaringen van derden waren onvoldoende concreet om het woonadres vast te stellen. Het feit dat later bijstand werd toegekend op basis van een andere aanvraag en periode deed hier niet aan af. De Raad bevestigde daarom het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en terugvordering wegens niet-wonen op het uitkeringsadres.