ECLI:NL:CRVB:2016:3306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.H.M. van de Ven
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering individuele inkomenstoeslag wegens vermogen boven vermogensgrens
Appellante ontving sinds 1998 bijstand, die in 2012 werd ingetrokken omdat zij beschikte over inkomsten en vermogen boven de toegestane grenzen. Na hernieuwde toekenning van bijstand in 2014 vroeg zij in 2015 een individuele inkomenstoeslag aan, welke door het dagelijks bestuur werd afgewezen wegens onvoldoende gegevens en later definitief wegens vermogen boven de vermogensgrens.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij recht had op de toeslag omdat haar in 2014 een langdurigheidstoeslag was toegekend en dat de fiscus nog een voorlopige inkomensvaststelling moest doen.
De Raad oordeelde dat het eerdere besluit tot intrekking van bijstand onherroepelijk is en dat appellante in de referteperiode vermogen boven de grens had. Hierdoor was er geen recht op de individuele inkomenstoeslag. Ook kon uit de toekenning van de langdurigheidstoeslag geen recht op de toeslag in 2015 worden afgeleid, mede omdat het bestuursorgaan niet gebonden is aan eerdere fouten en het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag wegens vermogen boven de vermogensgrens.