ECLI:NL:CRVB:2016:3313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.H.M. van de Ven
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens vermogen boven grens ondanks intrekking eerdere uitkering
Appellante ontving sinds 1998 bijstand, laatstelijk op grond van de WWB. Na een besluit van het dagelijks bestuur werd haar bijstand met ingang van 1 mei 2012 ingetrokken vanwege vermogen boven de norm. Appellante diende later opnieuw aanvragen in voor bijstand, maar deze werden afgewezen omdat zij niet aannemelijk maakte dat haar vermogen onder de vrijlatingsgrens was gedaald.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad maakte onderscheid tussen drie perioden: tot en met 25 maart 2014, 26 tot en met 31 maart 2014, en 1 april tot en met 19 mei 2014. In geen van deze perioden kon appellante aantonen dat zij voldeed aan de voorwaarden voor bijstand.
De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht rekening hield met een interingsnorm van 1,5 keer de bijstandsnorm bij vermogen boven de grens en dat het besluit tot afwijzing van de aanvragen terecht was. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen grond bestond voor toewijzing.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvragen wordt bevestigd.