ECLI:NL:CRVB:2016:3318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.H.M. van de Ven
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellant ontving bijstand als alleenstaande tot 28 mei 2013 en vroeg vanaf die datum opnieuw bijstand aan. Het college trok de bijstand in omdat appellant en K, met wie hij een kind heeft, op hetzelfde adres stonden ingeschreven en een gezamenlijke huishouding voerden. Appellant betwistte dit en stelde dat K slechts incidenteel verbleef.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB een onweerlegbaar vermoeden bestaat van gezamenlijke huishouding als partners met een kind op hetzelfde adres wonen. K verklaarde zelf dat zij op het adres verbleef, wat werd ondersteund door brieven van Bureau Jeugdzorg en de advocaat van appellant.
Appellant kon niet aannemelijk maken dat K niet haar hoofdverblijf op het adres had. Het college hoefde geen nader onderzoek te verrichten. De Raad bevestigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het beroep van appellant werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd wegens gezamenlijke huishouding.