Uitspraak
28 april 2015, 15/178 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig lasser, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat appellant de geselecteerde functies kon vervullen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over onderschatting van zijn lichamelijke en psychische beperkingen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond dat appellant onvoldoende onderbouwing gaf om het oordeel te wijzigen. Er waren geen nieuwe medische stukken die tot een ander oordeel leidden.
De Raad concludeerde dat het UWV op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant in staat is de geselecteerde functies uit te oefenen en bevestigde daarom de eerdere uitspraak. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant in staat wordt geacht de geselecteerde functies te vervullen.