ECLI:NL:CRVB:2016:3384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag hulp bij het huishouden wegens gebruikelijke zorg door meerderjarige kinderen
Appellante, die beperkingen ondervindt bij huishoudelijke taken, had in 2012 en 2013 al hulp bij het huishouden op grond van de Wmo. In september 2014 deed zij opnieuw een aanvraag voor hulp bij het huishouden, welke door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag werd afgewezen. Het college stelde dat haar twee meerderjarige inwonende kinderen de benodigde huishoudelijke zorg als gebruikelijke zorg dienen te verlenen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond omdat appellante onvoldoende had onderbouwd dat haar kinderen niet in staat waren deze zorg te bieden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar kinderen studeren en een bijbaan hebben, waardoor zij geen tijd hebben om haar te helpen.
De Raad oordeelde dat op grond van de oude Wmo-regelgeving (van vóór 1 januari 2015) en vaste jurisprudentie niet kan worden aangenomen dat de kinderen geen gebruikelijke zorg kunnen verlenen. Er waren geen aanwijzingen dat de kinderen beperkingen hadden die dit verhinderen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door J.P.A. Boersma op 14 september 2016.
Uitkomst: De aanvraag hulp bij het huishouden wordt afgewezen omdat de meerderjarige kinderen geacht worden gebruikelijke zorg te verlenen.