ECLI:NL:CRVB:2016:3404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet-verblijf op uitkeringsadres niet onterecht
Appellant ontving bijstand sinds december 2013 en stond ingeschreven op het uitkeringsadres. Vanaf oktober 2014 verbleef hij feitelijk niet op dat adres, wat leidde tot opschorting en uiteindelijk intrekking van de bijstand door het dagelijks bestuur van ISD Noordoost.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij psychisch niet in staat was om op het uitkeringsadres te verblijven vanwege conflicten met familieleden en stelde dat zijn verblijf elders gelijkgesteld moest worden met een gedwongen opname. Hij vroeg tevens om een termijn om dit nader te onderbouwen.
De Raad oordeelde dat de overgelegde stukken dateren van na de beoordelingsperiode en onvoldoende bewijs leveren voor de psychische noodzaak. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het verblijf buiten het uitkeringsadres niet gelijkgesteld kan worden met een gedwongen opname. Appellant kreeg voldoende gelegenheid tot bewijslevering.
De Raad concludeerde dat appellant geen woonplaats had in de gemeente Garsthuizen gedurende de relevante periode en dus geen recht had op bijstand. Het dagelijks bestuur had geen zorgplicht. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef en onvoldoende bewijs leverde voor psychische onmogelijkheid om daar te wonen.