ECLI:NL:CRVB:2016:3470

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 september 2016
Publicatiedatum
20 september 2016
Zaaknummer
15/7271 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7c AKWArt. 8:75 AwbArt. 26 KB 746Art. 27 KB 746Art. 31 AKW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging kinderbijslag wegens het bereiken van achttienjarige leeftijd jongste kind

Appellant, woonachtig in Marokko en ontvanger van een WAO-uitkering, kreeg kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde de kinderbijslag per het vierde kwartaal van 2014 omdat het jongste kind van appellant op 25 augustus 2014 achttien jaar werd, waardoor het overgangsrecht op kinderbijslag verviel.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij verzekerd bleef omdat hij een WAO-uitkering ontvangt en dat hij voor zijn andere kinderen altijd kinderbijslag ontving. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.

De Raad oordeelde dat appellant vanaf 1 januari 2006 niet meer verzekerd was voor de AKW, maar zolang hij aan de voorwaarden voldeed, recht had op kinderbijslag. Het bereiken van de leeftijd van achttien jaar door het jongste kind leidde tot het vervallen van dit recht. De Raad wees ook op het ontbreken van cassatiemogelijkheid tegen de toepassing van artikel 7c van de AKW.

De beslissing werd genomen in het openbaar op 16 september 2016 door M.M. van der Kade, waarbij het hoger beroep ongegrond werd verklaard en de beëindiging van de kinderbijslag werd bevestigd.

Uitkomst: De kinderbijslag is terecht beëindigd omdat het jongste kind achttien jaar is geworden en het overgangsrecht vervalt.

Uitspraak

15/7271 AKW
Datum uitspraak: 16 september 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 september 2015, 15/910 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2016. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 3 december 2014 heeft de Svb aan appellant, die in Marokko woont en die een uitkering ontvangt op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), meegedeeld dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 2014 geen recht meer heeft op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Aan dit besluit heeft de Svb ten gronde gelegd dat per 1 januari 2000 de verplichte verzekering voor de AKW van in het buitenland wonende WAO-gerechtigden is afgeschaft. Na 1 januari 2000 behield appellant recht op kinderbijslag op de grond van de overgangsregeling. Nu [naam A] achttien jaar is geworden heeft appellant geen recht meer op kinderbijslag, ook niet voor [naam B] die na 1 januari 2000 is geboren.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 21 januari 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2014 ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat op grond van artikel 27 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746), appellant ook na 1 januari 2000 verzekerd is gebleven, zolang het jongste kind, voor wie de verzekerde voor die dag recht had op kinderbijslag, de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt. Artikel 27 van Pro KB 746 is met ingang van 1 januari 2006 vervallen. De hierin opgenomen overgangsregeling is sinds 1 januari 2006 opgenomen in artikel 7c van de AKW, waarbij de voorwaarden gesteld in artikel 27 van Pro KB 746 onverkort van toepassing zijn gebleven. [naam A] , het jongste kind waarvoor appellant op de dag vóór 1 januari 2000 nog recht had op kinderbijslag, is op 25 augustus 2014 achttien jaar geworden. Vanaf het vierde kwartaal van 2014 valt appellant dan ook niet meer onder het overgangsrecht. Nu appellant op de peildatum van dat kwartaal niet meer verzekerd is, heeft appellant vanaf die datum geen recht op kinderbijslag.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep stelt appellant wel verzekerd te zijn omdat hij een WAO-uitkering ontvangt. Hij heeft voor zijn andere kinderen wel altijd kinderbijslag ontvangen.
4.1.
Er bestaat geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Op grond van artikel 26 van Pro KB 746 was appellant tot 1 januari 2000 verzekerd voor onder andere de AKW. Daarna was hij, tot 1 januari 2006, doorlopend verzekerd voor de AKW op basis van artikel 27 van Pro KB 746. Per 1 januari 2006 is artikel 27 van Pro KB 746 vervallen en is de rechtspositie van appellant, wat betreft de AKW, geregeld in artikel 7c van de AKW. In dit artikel is, voor zover van belang, bepaald dat degene die op grond van artikel 27 van Pro KB 746 doorlopend verzekerd was tot 1 januari 2006 én toen ook nog recht had op kinderbijslag, dit recht behoudt zolang het jongste kind voor wie de betrokkene op 31 december 1999 recht had op kinderbijslag, de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.
4.2.
Hieruit volgt dat appellant vanaf 1 januari 2006 niet meer verzekerd was voor de AKW, maar dat hij, zolang hij aan de voorwaarden hiervoor voldeed, nog wel recht had op kinderbijslag. Vanaf de datum waarop [naam A] achttien jaar werd, voldeed appellant niet meer aan de voorwaarden om recht op kinderbijslag te kunnen hebben, zodat de Svb de kinderbijslag terecht heeft beëindigd.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden.
5. Voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
6. Op grond van artikel 31 van Pro de AKW kunnen partijen tegen een uitspraak van de Raad cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2, 3 of 6. In artikel 6 is Pro geregeld wie verzekerd is. In tegenstelling tot wat in het bestreden besluit is opgenomen, gaat het in dit geding niet over de beëindiging van de verzekering van appellant met ingang van het vierde kwartaal van 2014, maar om het einde van zijn recht op kinderbijslag met ingang van dat kwartaal op grond van artikel 7c van de AKW. Tegen de toepassing van deze bepaling is geen cassatie mogelijk.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2016.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) R.I. Troelstra

RB