ECLI:NL:CRVB:2016:3490
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs woonadres
Appellant heeft op 4 februari 2014 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor een alleenstaande. Tijdens het intakegesprek verklaarde hij een zolderkamer te huren aan een opgegeven adres, maar zijn sociale netwerk en huisarts bevinden zich in een andere plaats. De gemeente Schiedam voerde een onderzoek uit, waaronder meerdere pogingen tot huisbezoek en een gesprek met appellant.
Bij het huisbezoek op 20 maart 2014 werd vastgesteld dat de zolderkamer geen deur had en niet kon worden afgesloten, met slechts enkele bankkussens als slaapplaats en zonder persoonlijke spullen van appellant. Zijn post en kleding bevonden zich elders, en hij verbleef regelmatig bij familie en een vriend. Het college wees de bijstandsaanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende duidelijkheid had verschaft over zijn woonadres en dat het college terecht het huisbezoek als basis voor de beslissing gebruikte. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woont.