ECLI:NL:CRVB:2016:3538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet-aannemelijk maken dakloosheid
Appellant diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WWB) en gaf aan dakloos te zijn. De Dienst Werk en Inkomen van Amsterdam voerde een onderzoek uit en concludeerde dat appellant feitelijk verbleef op het adres van zijn ouders, waardoor hij niet tot de doelgroep daklozen behoorde.
Het college wees de aanvraag af wegens schending van de inlichtingenplicht en oncontroleerbare inkomsten uit werkzaamheden als snorder. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dakloos te zijn.
Appellant stelde hoger beroep in, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 september 2016.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot de doelgroep daklozen behoort.