ECLI:NL:CRVB:2016:361
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, geboren in 1957, vroeg om voortzetting van haar nabestaandenuitkering na het bereiken van de meerderjarigheid van haar jongste kind. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde de uitkering per 30 november 2012 omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt was. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij door rug-, hoofdpijnklachten en psychische problemen niet kon werken.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) voerde medisch en arbeidskundig onderzoek uit en concludeerde dat appellante niet arbeidsongeschikt was in de zin van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de medische rapporten voldoende waren en dat de beperkingen van appellante in de functionele mogelijkhedenlijst waren verwerkt. Ook al stelde appellante analfabeet te zijn, waren er voldoende geschikte functies zonder taalvereisten. Er was geen grond voor een urenbeperking of een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De weigering van de uitkering was daarmee terecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op voortzetting van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.