ECLI:NL:CRVB:2016:3621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herberekening beslagvrije voet zonder terugwerkende kracht bij bijstandsaflossing
Appellante ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en aanvullende bijstand op grond van de WWB. Het college houdt maandelijks 10% van de bijstand in ter aflossing van een fraudevordering. Appellante verzocht de beslagvrije voet met terugwerkende kracht aan te passen en de aflossing op nihil te stellen, omdat haar uitkering lager was dan de beslagvrije voet.
Het college paste de aflossing aan per 1 september 2014 en restitueerde de aflossingen over juli en augustus 2014. Het bezwaar van appellante tegen de ingangsdatum van de aanpassing werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voert appellante aan dat de herberekening met terugwerkende kracht had moeten plaatsvinden vanaf oktober 2013. De Raad oordeelt dat het college pas op 1 juli 2014 de benodigde gegevens ontving en vanaf dat moment onverwijld rekening heeft gehouden met de wijziging. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herberekening van de beslagvrije voet wordt niet met terugwerkende kracht toegepast.