ECLI:NL:CRVB:2016:3688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag politieambtenaar wegens plichtsverzuim ondanks psychische problematiek
Appellante, werkzaam als wijkagent sinds 1993, kreeg een berisping opgelegd wegens plichtsverzuim door het niet correct opbergen van haar dienstvuurwapen en het privégebruik van een dienstvoertuig. Later werd haar ontslag opgelegd wegens het zonder betalen meenemen van goederen bij een bouwmarkt en het opnieuw niet opbergen van haar dienstvuurwapen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar plichtsverzuim niet of verminderd aan haar toe te rekenen viel vanwege psychische problematiek en medicatiegebruik. Een psychiatrisch rapport en verklaringen van haar psycholoog werden overgelegd ter onderbouwing.
De Raad oordeelde dat uit het psychiatrisch rapport en eerdere verklaringen niet bleek dat appellante de ontoelaatbaarheid van haar gedrag niet kon inzien of niet overeenkomstig dat inzicht kon handelen. Camerabeelden toonden bewust gedrag zonder betaling. De Raad stelde vast dat het plichtsverzuim haar toerekenbaar is en dat de opgelegde disciplinaire maatregel niet onevenredig is gezien de ernst van de gedragingen en de eisen aan politiefunctionarissen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag van appellante wegens plichtsverzuim wordt bevestigd omdat het plichtsverzuim haar toerekenbaar is en de maatregel niet onevenredig is.