ECLI:NL:CRVB:2016:3723
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ontslagambtenaar wegens vermeend plichtsverzuim en ongewenst contact
Appellante, werkzaam bij de politie sinds 2001, werd ontslagen wegens vermeend ernstig plichtsverzuim door het voortzetten van contact met een lid van een motorclub en het afleggen van niet-kloppende verklaringen. Een strafrechtelijk onderzoek naar haar werd geseponeerd omdat onvoldoende bewijs was voor betrokkenheid.
Na een intern integriteitsonderzoek en een bezwaarprocedure handhaafde de korpschef het ontslagbesluit. De rechtbank oordeelde dat appellante contact had onderhouden met de betreffende persoon en niet naar waarheid had verklaard, en wees het beroep af.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat in het ambtenarentuchtrecht minder strikte bewijsregels gelden dan in het strafrecht, maar dat wel overtuigend bewijs vereist is. De verklaringen van collega’s waren onvoldoende deugdelijk vastgesteld, mede omdat zij elkaar vooraf hadden gesproken en hun verklaringen op algemene bewoordingen berustten.
Het incidentele contact in 2013 werd niet als voortzetting van ongewenst contact aangemerkt. De Raad concludeert dat onvoldoende overtuigend bewijs bestaat voor plichtsverzuim en vernietigt het ontslagbesluit. Tevens veroordeelt de Raad de korpschef tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs en de korpschef wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.