ECLI:NL:CRVB:2016:3757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.H. Bel
- A. Stehouwer
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres waar ook familieleden stonden ingeschreven. Het college vermoedde dat appellant niet op dat adres woonde en voerde een onderzoek uit, inclusief een huisbezoek na een gesprek. Op basis van tegenstrijdige verklaringen van appellant concludeerde het college dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en trok de bijstand in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het recht op een eerlijk proces was geschonden, dat het huisbezoek onrechtmatig was omdat er geen redelijke grond was en dat het vereiste van informed consent niet was nageleefd. Ook voerde hij aan dat getuigenverklaringen niet voldoende waren meegewogen.
De Raad oordeelde dat er wel degelijk een redelijke grond was voor het huisbezoek, gezien de tegenstrijdige verklaringen van appellant over zijn verblijfplaats. Het voorgestelde alternatieve onderzoek was niet effectief. De rechtbank had het recht op een eerlijk proces niet geschonden; appellant en zijn gemachtigde konden zich uitspreken. Het gebruik van de bevindingen van het huisbezoek was toegestaan, ook al was het informed consent niet perfect. De getuigenverklaringen konden de conclusie over het niet hoofdverblijf niet weerleggen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering en wijst het hoger beroep af.