ECLI:NL:CRVB:2016:3758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en herziening AOW-pensioen naar norm gehuwden
Appellanten ontvingen beiden een AOW-pensioen naar de norm voor ongehuwden en stonden sinds 2001 ingeschreven op hetzelfde adres. Na verhuizingen en een anonieme melding startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar hun woonsituatie. Uit het onderzoek bleek dat appellanten vanaf medio 2011 een gezamenlijke bankrekening hadden en een financiële verstrengeling vertoonden die verder ging dan het delen van woonlasten.
Appellanten betwistten dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en voerden aan dat de financiële relatie een zakelijke verhuurdersrelatie betrof. De Raad oordeelde echter dat de financiële verstrengeling niet door een commerciële relatie werd beheerst en dat er sprake was van wederzijdse zorg, een criterium voor gezamenlijke huishouding.
De rechtbank had de beroepen van appellanten tegen de herziening van het AOW-pensioen ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en verklaart dat appellanten vanaf 1 oktober 2011 een gezamenlijke huishouding voeren, waardoor het AOW-pensioen terecht is herzien naar de gehuwdennorm.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten vanaf 1 oktober 2011 een gezamenlijke huishouding voeren en wijzigt het AOW-pensioen naar de gehuwdennorm.