Appellant heeft bij het UWV een Wajong-uitkering aangevraagd en deze toegekend gekregen met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, maar dit bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat appellant ondanks zijn beperkingen voldoende ondersteuning had om tijdig bezwaar te maken.
In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege een laag IQ, beperkte lees- en schrijfvaardigheden, wisselende begeleiding en afwezigheid van zijn zus tijdens de bezwaartermijn niet tijdig bezwaar kon indienen. De Raad nam kennis van een psychiatrisch rapport dat appellant functioneert op de grens van laagbegaafdheid en erkende de beperkingen, maar stelde ook vast dat appellant hulp heeft gezocht bij zijn sociale omgeving en begeleiders.
De Raad oordeelde dat het te laat indienen van het bezwaarschrift niet volledig voor rekening van appellant komt, mede door het specifieke samenstel van feiten en omstandigheden, waaronder de beperkte alertheid en adequaatheid van de sociale omgeving. Daarom werd de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht, het hoger beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Het UWV werd opgedragen het bezwaar opnieuw te beoordelen en werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.