ECLI:NL:CRVB:2016:3822
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking AOR-uitkering wegens Wubo-uitkering en invaliditeitspercentage
Appellant, geboren in 1936 in Nederlands-Indië, verzocht in 2014 om een uitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Na aanvankelijke afwijzing wegens gebrek aan arbeidsongeschiktheid, werd bij bezwaar een invaliditeitspercentage van 30% vastgesteld en een uitkering toegekend. Vervolgens werd dit besluit ingetrokken omdat appellant reeds een uitkering ontving op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Appellant betwistte het vastgestelde invaliditeitspercentage en de beperking tot vier uren huishoudelijke hulp per week. Medische rapporten van artsen Textor en Ohlenschlager bevestigden geringe tot matige beperkingen en een causale invaliditeit van 30%, waarbij 3/5 deel van de psychische klachten aan oorlogservaringen werd toegeschreven. Een hoger aandeel oorlogservaringen werd niet voldoende onderbouwd.
De Raad oordeelde dat het intrekkingsbesluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd, en dat de toekenning van de Wubo-uitkering financieel gunstiger was voor appellant. Het beroep werd ongegrond verklaard. Wat betreft huishoudelijke hulp verwees de Raad naar een gelijktijdige uitspraak, waarin de noodzaak van meer dan vier uren per week niet werd erkend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde hiermee het standpunt van verweerder en wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het intrekkingsbesluit van de AOR-uitkering bevestigd.