ECLI:NL:CRVB:2016:386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en terugvordering voorschotten
Appellant, laatst werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek vanwege rug- en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende een voorschot toe, maar stelde later vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering ontstond. Het betaalde voorschot werd teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het UWV verklaarde deze ongegrond na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de conclusies van de verzekeringsartsen juist waren. Ook de terugvordering van het voorschot werd als terecht beoordeeld. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn klachten en dat er een dringende reden was om af te zien van terugvordering vanwege beperkte draagkracht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de medische gegevens volledig waren meegewogen en dat er geen aanleiding was de conclusies te betwijfelen. De psychische klachten waren onderzocht en niet vastgesteld als psychiatrische aandoening. De arbeidskundige beoordeling was voldoende onderbouwd. Er was geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Ook de vermeende toename van klachten werd niet aannemelijk gemaakt. De aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en de terugvordering van het voorschot.