ECLI:NL:CRVB:2018:3206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkeringen wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft meerdere keren een toename van arbeidsongeschiktheid gemeld en aanspraak gemaakt op een WIA-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft telkens vastgesteld dat er geen sprake was van een toename van de beperkingen ten opzichte van eerdere beoordelingen, waardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstond.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft deze besluiten bevestigd, waarbij is geoordeeld dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren en geen aanleiding bestond voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. Appellant stelde dat er sprake was van toegenomen psychische klachten en dat de beoordeling vooringenomen was, en verzocht alsnog een deskundige te benoemen.
De Centrale Raad van Beroep heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad concludeert dat de medische beperkingen per genoemde data niet zijn toegenomen ten opzichte van de Functionele Mogelijkhedenlijst van 18 juni 2013. De door appellant overgelegde medische stukken boden onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. De Raad zag geen reden om een onafhankelijke deskundige in te schakelen en verklaarde de hoger beroepen ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op WIA-uitkeringen wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.