ECLI:NL:CRVB:2016:3876

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 november 2016
Publicatiedatum
18 oktober 2016
Zaaknummer
16/971 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22a ParticipatiewetArt. 35 ParticipatiewetWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij bijstandsverlening ondanks medicijnkosten

Appellant ontving aanvullende bijstand naast zijn WAO-uitkering. Het college beëindigde deze bijstand per 1 juli 2015 omdat appellant inwoonde bij zijn zoon en schoondochter, waardoor de kostendelersnorm van toepassing werd verklaard. Dit leidde tot een verlaging van de bijstandsnorm tot een bedrag lager dan zijn WAO-uitkering, waardoor de bijstand werd stopgezet.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de toepassing van de kostendelersnorm tot een onaanvaardbaar resultaat leidt vanwege zijn hoge medicijnkosten. De Raad oordeelde dat medicijnkosten niet tot de algemene kosten van bestaan behoren en dat hiervoor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd.

De Raad benadrukte dat de kostendelersnorm rekening houdt met schaalvoordelen bij het delen van kosten in een woning, ongeacht de aard van het inkomen of de feitelijke kostenverdeling. De wetgever heeft met deze norm de bijstandsnorm aangepast om deze schaalvoordelen direct te verwerken.

Gezien deze overwegingen en het ontbreken van concrete onderbouwing voor de medicijnkosten, wees de Raad het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kostendelersnorm op appellant van toepassing is en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

16/971 PW
Datum uitspraak: 1 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
25 januari 2016, 15/7727 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J.M. Vélu, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vélu. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Boere.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving in aanvulling op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) sinds 28 november 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%.
1.2.
Bij besluit van 19 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvullende bijstand met ingang van 1 juli 2015 beëindigd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat vanaf die datum op appellant de kostendelersnorm van toepassing is omdat appellant inwoont bij zijn zoon en diens echtgenote. De hoogte van de bijstandsnorm wordt daarom verlaagd naar € 594,80 per maand. Omdat de WAO-uitkering inclusief toeslag € 659,24 per maand bedraagt, en dus hoger is dan het bedrag van de bijstandsnorm, wordt de bijstand beëindigd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand (WWB) en is met artikel 22a van de PW de “kostendelersnorm” ingevoerd. In deze zaak is van toepassing de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en
vierde lid:

((40% + A × 30%) / A) × B

Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.
4.2.
Aan de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22a van de PW (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 3 t/m 8) ontleent de Raad dat de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm heeft beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Dat in de bijstandswetgeving met die voordelen rekening wordt gehouden is niet nieuw. De bijstandssystematiek tot de invoering van de kostendelersnorm ging er ook al van uit dat personen met een hoofdverblijf in dezelfde woning kosten met elkaar kunnen delen. De bij de uitvoering van de bijstandswetgeving betrokken bestuursorganen hadden tot de inwerkingtreding van de PW in een dergelijke situatie de plicht om overeenkomstig een daartoe vastgestelde verordening de bijstandsuitkering aan te passen door het al dan niet toekennen van een toeslag op, of het toepassen van een verlaging van, de toepasselijke bijstandsnorm. Hierbij werd echter geen rekening gehouden met het aantal kosten delende medebewoners binnen een woning, terwijl de mate waarin de gemiddelde kosten per persoon dalen door het hoofdverblijf houden in dezelfde woning, wel afhankelijk is van het aantal in de woning verblijvende personen met wie de kosten kunnen worden gedeeld. Met de invoering van de kostendelersnorm heeft de wetgever rekening willen houden met de schaalvoordelen, die groter zijn naarmate er meer kosten delende medebewoners zijn. De wetgever heeft dit rechtstreeks in de toepasselijke bijstandsnorm tot uitdrukking willen laten komen. Door invoering van de kostendelersnorm blijft volgens de wetgever de vangnetfunctie van de bijstand gewaarborgd, blijft een individueel recht op bijstand behouden, blijft het lonend om te werken en wordt een bijdrage geleverd om de schatkist van de overheid op orde te brengen.
4.3.
Bij toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners geen rol. Evenmin is relevant de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt. Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16).
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de kostendelersnorm op appellant van toepassing is. Appellant heeft echter aangevoerd dat de toepassing van de kostendelersnorm in zijn geval tot een onaanvaardbaar resultaat leidt omdat hij in ernstige financiële problemen komt. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat hij medicijnen gebruikt die hem maandelijks € 150,- kosten. Nog daargelaten dat appellant de gestelde kosten van medicijnen niet met concrete stukken heeft onderbouwd, kunnen deze kosten niet worden gerekend tot de algemene kosten van het bestaan waarop de algemene bijstand ziet. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Voor vergoeding van andere dan algemene kosten van bestaan bestaat, als geen sprake is van een voorliggende voorziening en voldaan is aan de vereisten van artikel 35, eerste lid van
de PW, een aanspraak op bijzondere bijstand.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.H. Bel en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2016.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) J.L. Meijer

HD