ECLI:NL:CRVB:2016:3955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitaties zonder dringende redenen voor matiging
Appellante ontving vanaf 1 januari 2015 een WW-uitkering. Het UWV verlaagde deze met ingang van 9 februari 2015 gedurende vier maanden met 25% wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen in januari 2015. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door het UWV en de rechtbank Amsterdam. De rechtbank oordeelde dat appellante zich had moeten informeren over haar verplichtingen en dat het UWV terecht een maatregel oplegde op grond van artikel 24 en Pro 27 WW.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV ook de bevoegdheid had om de maatregel te matigen of te vervangen door een waarschuwing, en dat sprake was van omstandigheden die dit rechtvaardig zouden maken. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de wet een waarschuwing slechts toestaat voor specifieke overtredingen, niet voor onvoldoende sollicitaties, en dat onvoldoende concrete en verifieerbare sollicitaties waren verricht.
Verder werd het beroep op verminderde verwijtbaarheid en dringende redenen verworpen, omdat appellante onvoldoende had onderbouwd dat haar persoonlijke omstandigheden de maatregel onaanvaardbaar maakten. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De maatregel van 25% verlaging van de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitaties wordt bevestigd zonder matiging.