ECLI:NL:CRVB:2016:3969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering en herziening AOW-pensioen wegens vermeende gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1972 een nabestaandenuitkering en vanaf 2006 een AOW-pensioen voor een alleenstaande. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde in 2013 de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht vanaf 2005 en herzag het AOW-pensioen naar een samenwonende, omdat zij aannam dat appellante vanaf 1 maart 2005 een gezamenlijke huishouding voerde met K op hetzelfde adres.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor het deel vanaf 1 maart 2007, maar wees het beroep voor het eerdere tijdvak af. Appellante ging in hoger beroep en betwistte het voeren van een gezamenlijke huishouding. De Raad onderzocht of appellante en K hun hoofdverblijf deelden en zorg voor elkaar droegen volgens objectieve criteria.
Hoewel de verklaringen van appellante en K voldoende aantonen dat zij beiden op het adres verbleven, ontbreekt een feitelijke grondslag voor wederzijdse zorg. Er is slechts sprake van lichte indicaties zoals een gezamenlijke autoverzekering, maar essentiële zorgaspecten en financiële verstrengeling zijn niet aangetoond. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de Svb in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering en herziening van het AOW-pensioen wordt vernietigd.