Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4017

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 oktober 2016
Publicatiedatum
24 oktober 2016
Zaaknummer
15/7790 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand wegens vermogen na erfenis zonder dringende redenen

Appellante ontving sinds 2004 bijstand als alleenstaande. Na het overlijden van haar vader in 2013 ontving zij een erfenis, waardoor haar vermogen het vrij te laten bedrag overschreed. Het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden trok daarom de bijstand in en vorderde de kosten van bijstand over de periode 5 oktober 2013 tot en met 31 augustus 2014 terug.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij zich in een uitzonderlijke situatie bevond door een medische fout van haar tandarts, en dat het college daarom van terugvordering had moeten afzien.

De Raad oordeelde dat geen dringende redenen aanwezig zijn om van terugvordering af te zien. Dringende redenen vereisen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die incidenteel en uitzonderlijk zijn, wat hier niet het geval is. De problematiek van appellante is niet het gevolg van de terugvordering. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De terugvordering van bijstandskosten wordt bevestigd omdat geen dringende redenen voor kwijtschelding zijn aangetoond.

Uitspraak

15/7790 WWB
Datum uitspraak: 11 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 oktober 2015, 15/1207 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Krol.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 9 september 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. De vader van appellante is op 4 oktober 2013 overleden en kort daarna is de erfenis uitgekeerd.
1.2.
Bij afzonderlijke besluiten van 9 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 februari 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 5 oktober 2013 ingetrokken en over de periode van 5 oktober 2013 tot en met 31 augustus 2014 de kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.549,95 van appellante teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het eigen vermogen van appellante, door de erfenis die zij heeft ontvangen, het vrij te laten vermogen overstijgt met als gevolg dat appellante geen recht op bijstand heeft.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep dezelfde gronden aangevoerd als zij in beroep heeft aangevoerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat zij als gevolg van een medische fout van haar tandarts in een zeer uitzonderlijke situatie verkeert. Het college had op grond van haar uitzonderlijke situatie van terugvordering moeten afzien.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het hoger beroep beperkt zich tot de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 5 oktober 2013 tot en met 31 augustus 2014.
4.2.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat in wat appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen zijn gelegen om van terugvordering af te zien. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De problematiek van appellante is niet het gevolg van de in geding zijnde terugvordering.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.
(getekend) P.W. van Straalen
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD