ECLI:NL:CRVB:2016:4027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang bij toetsing hoogte bijstand Participatiewet
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd per 1 januari 2015 overgezet naar de Participatiewet (PW) met behoud van de hoogte van de bijstand tot 1 juli 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad nam dit besluit, dat na bezwaar werd gehandhaafd. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat zij materieel niet was benadeeld en er geen geschil bestond over de hoogte van de bijstand.
In hoger beroep stelde appellante dat zij wel belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit vanwege de aangekondigde wijzigingen in de bijstand per 1 juli 2015 en 1 januari 2016. De Raad overwoog dat procesbelang vereist dat het nastreven van het resultaat feitelijke betekenis heeft en dat een louter principieel belang onvoldoende is. Omdat het bestreden besluit alleen de situatie per 1 januari 2015 betrof en appellante inmiddels tegen het besluit per 1 juli 2015 afzonderlijke rechtsmiddelen heeft aangewend, ontbrak het aan voldoende belang voor een inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door M. Hillen, in aanwezigheid van griffier A. Stuut, op 25 oktober 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van procesbelang en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.