ECLI:NL:CRVB:2016:407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging huishoudelijke hulp wegens gebruikelijke zorg echtgenoot
Appellante ontving sinds 2009 huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Na een aanvraag in 2012 werd haar hulp verlaagd van zes naar 3,5 uur per week, omdat haar echtgenoot volgens medisch onderzoek in staat werd geacht lichte huishoudelijke taken uit te voeren. Appellante maakte bezwaar tegen deze verlaging, maar het college handhaafde het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de medische situatie van appellante en haar echtgenoot juist was vastgesteld en dat het college rekening had gehouden met hun persoonskenmerken. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de beperkingen van haar echtgenoot en dat het normenkader onduidelijk was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek naar de medische situatie zorgvuldig was verricht door meerdere artsen, inclusief huisbezoeken en dossierstudie. De artsen concludeerden dat de echtgenoot lichte huishoudelijke taken kon verrichten. Het college had gehandeld volgens de normtijden uit het Wmo-Verstrekkingenboek en een overgangsperiode gehanteerd om stress te voorkomen. Appellante had niet met objectieve gegevens aangetoond dat de toegekende uren onvoldoende waren.
Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de huishoudelijke hulp omdat de echtgenoot van appellante gebruikelijke zorg kan verlenen.