ECLI:NL:CRVB:2016:41
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag wegens niet tijdig overleggen bankafschriften
Appellant diende op 7 mei 2013 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende een voorschot, maar verzocht appellant meerdere malen om aanvullende bewijsstukken, waaronder bankafschriften van alle rekeningen vanaf 1 januari 2013. Omdat appellant niet alle gevraagde stukken tijdig aanleverde, stelde het college de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro. Tevens werd het voorschot teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het college onvoldoende duidelijk had gemaakt welke stukken ontbraken en dat het college hem telefonisch had moeten benaderen om alsnog de gevraagde stukken te overleggen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college met de brief van 21 mei 2013 voldoende duidelijkheid had gegeven over de ontbrekende stukken en dat het niet verplicht was om telefonisch contact op te nemen. Ook het feit dat appellant tijdens de bezwaarfase alsnog stukken overlegde, deed niet af aan de rechtmatigheid van het buitenbehandelingsbesluit.
De Raad concludeerde dat het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling gebruik heeft gemaakt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot buitenbehandelingstelling van de bijstandsaanvraag wegens niet tijdig overleggen van bankafschriften.